Baardgrasmoederkoren

Bothriochloa is een veelvoorkomend en wijdverspreid geslacht van planten in de familie der grassen. Het geslacht is inheems in alle bewoonde continenten, waarmee men slechts bedoelt dat het niet op Antarctica groeit. Toch lijkt het geslacht Europa grotendeels over te slaan, vanwege de wat gematigde temperaturen. Veel soorten worden baardgras genoemd.
In 1992 vonden Japanse biologen op een familielid, Bothriochloa parviflora ('kleinbloemig baardgras'), een onbekend soort moederkoren[1]. Die kreeg dus de officiële naam Claviceps bothriochloae ofwel baardgrasmoederkoren. Het is nog onbekend hoeveel en waar deze moederkorensoort precies voorkomt.

De sclerotia waren ongeveer één millimeter groot en donkerbruin tot donkerpaars van kleur. De stipe (steel) en capitula (kop) bleken zwavelkleurig geel.

[1] Tanda, Muryama: Claviceps bothriochloae on seed of Botriochloa parviflora in Japanese Agricultural Sciences – 1992

Zwarte roest

Zwarte roest is een ernstige schimmelinfectie in granen, vooral tarwe. Het wordt veroorzaakt door de schimmel Puccinia graminis tritici. Onder de juiste omstandigheden kan deze ziekteverwekker meer dan 70% van de oogst vernietigen. Door veredeling van cultivars dacht men vanaf 1954 zwarte roest in tarwe te hebben uitgeroeid, maar de natuur blijkt opnieuw slimmer dan de mens.
De schimmel muteerde zich ongemerkt en in 1999 werd een nieuwe virulente variant aangetroffen in tarweakkers in Oeganda. Het ras raakte bekend als Ug99 (een afkorting van het land en het ontdekkingsjaar), maar volgens de officiële nomenclatuur wordt het TTKSK genoemd en er bestaan intussen al dertien versies van Ug99. Nu is deze stam al aanwezig in 13 Afrikaanse landen. De volgende stam werd in 2005 ontdekt in Turkije en deze kreeg de naam TKTTF en is niet verwant met Ug99.

In voorjaar van 2016 bleek er een epidemie van zwarte roest in duizenden hectare tarwevelden op het Italiaanse eiland Sicilië te heersen. Laboratoriumonderzoek toonde aan dat de schimmel zich opnieuw had gemuteerd tot TTTTF.

De levenscyclus bestaat uit vijf stadia die op twee verschillende waardplanten doorlopen worden. Het begint op de tarweaar, dan springt de ziekteverwekker over op de zuurbes (Berberis vulgaris) waar de schimmel zich verder ontwikkeld. Uiteindelijk besmet zwarte roest de tarwe opnieuw die daardoor verloren gaat. Omdat zich op de zuurbes ook een deel van de ontwikkeling afspeelt, kunnen daarop ook nieuwe mutaties ontstaan. Geen wonder dat boeren de zuurbes vaak niet op hun landerijen willen hebben.

Nee, in Nederland is zwarte roest nog niet aangetroffen, maar in Duitsland wel. In 2013 werd op enkele percelen, waarop tarwe verbouwd werd, zwarte roest aangetroffen met een ongebruikelijke samenstelling: het bleek een mix van stammen TKTTF, TKKTF, TKPTF, TKKTP, PKPTF en MMMTF[1].

Ik denk dat we de ontwikkeling en sluipende voortgang van zwarte roest heel scherp in de gaten moeten houden. Zaadveredelingsbedrijven moeten voortdurend proberen om resistentie in te bouwen in hun tarwerassen. Als we te laat zijn met reageren dan kan dat grote economische schade opleveren.

[1] Olivera Firpo et al: Characterization of Puccinia graminis f. sp. tritici isolates derived from an unusual wheat stem rust outbreak in Germany in 2013 in Plant Pathology - 2017

Guinéegras moederkoren

Guinéegras (Megathyrsus maximus) is in Engelstalige landen bekend als Guinea grass of green panic grass ('groen paniekgras'). Het is een tot drie meter hoge grassoort die inheems is in Afrika, Palestina en Jemen. Deze soort behoort tot een grotere familie van zo'n 450 soorten die allen de tropische oorden van de wereld bevolken.
Dit Guinéegras is het primaire doelwit van het Guinéegras moederkoren (Claviceps maximensis). Omdat het gras over de hele wereld is verspreid om tuinen te verfraaien is ook Guinéegras moederkoren voortdurend onbedoeld meeverhuisd. Zo is deze moederkorensoort opgedoken in Zuid-Amerikaanse landen en Australië.

De sclerota van Guinéegras moederkoren zijn twee tot negen millimeter lang, bruin tot grijsbruin van kleur en behaard.
Hoewel we ons in ons land nog geen zorgen hoeven te maken over een mogelijke infestatie, zouden we toch voorzichtig moeten zijn voordat we exotische grassoorten in onze tuinen willen gaan planten. Moederkorensoorten staan erom bekend dat ze zich snel kunnen aanpassen aan nieuwe omstandigheden en soorten.

Klein moederkoren

Ook Claviceps pusilla heeft nog geen Nederlandse soortnaam. De reden daarvan is uiteraard dat deze schimmel nog nimmer in ons land is aangetroffen. Maar wat niet is kan nog komen, zeker met de niet te stoppen opwarming van de aarde.
We beginnen dus met de speurtocht naar een geschikte Nederlandse naam. Het tweede deel van zijn wetenschappelijke naam, pusilla, is geleend uit het Latijn, waar het 'klein' betekent. Het ligt dus voor de hand om deze moederkorensoort 'klein moederkoren' te gaan noemen.

Klein moederkoren is wijdverspreid in het Middellandse Zeegebied, Afrika, India, Australië en vermoedelijk China. Het is één van de vier soorten die zich ook in een gematigd klimaat thuisvoelen. Deze soort is te herkennen aan diens driehoekige conidia, de sporen die asexueel aangemaakt worden door deze schimmel.
De planten waar het klein moederkoren het op heeft gemunt bevinden zich in wel twintig geslachten uit de grote grasfamile, waaronder Bothriochloa, Cymbopogon (waaronder citroengras), Capillipedium, Dichanthium, Heteropogon, Hyparrhenia, Vetiveria (waaronder vetivergras, waarvan de essentiële olie gebruikt wordt in de parfums) en Themeda.

Citroengeel moederkoren

Met namen als seashore saltgrass, inland saltgrass and desert saltgrass (Distichlis spicata) hoef je geen talenwonder te zijn om te begrijpen dat dit gras wel van enorm zoute omstandigheden zal houden. Dat klopt. Saltgrass is 'zoutgras' en is inheems over het hele Noord- en Zuid-Amerikaanse continent. Het gras komt ook op andere continenten voor, waar het zich als exoot blijvend heeft gevestigd op dezelfde plaatsen waar hij ook van nature voorkomt.
Nu lijkt een extreem zout-tolerante plant nu niet direct een geschikte plek om een moederkorensoort op te laten groeien, maar het is hem toch gelukt. In de regio Texcoco in centraal Mexico, 25 kilometer noordoostelijk van Mexico City, vonden biologen in 1998 een onbekende soort die ze de naam Claviceps citrina gaven[1]. De soortnaam citrina is afgeleid van het Latijnse citrinus dat 'citroengeel' betekent en de kleur van de sclerota verklaart. Laten we deze soort dan ook alvast maar de Nederlandse naam 'Citroengeel moederkoren' toebedelen, want hij zal ooit wel in ons land opduiken.

De aanpassing naar een ziltig milieu is voor het citroengeel moederkoren niet zonder gevolgen gebleven, want er werden geen giftige ergoline-alkaloïden aangetroffen in de sclerota.

De evolutie van de parasitische schimmels, die behoren tot het geslacht Claviceps, staat in direct verband met de evolutie van hun waardplanten. De moederkoren evolueert dus mee met de evolutie van de plant waarop zij zich heeft gespecialiseerd. Ondertussen bestaan er 43 verschillende soorten moederkorens.

[1] Pažoutová et al: Claviceps citrina sp. nov., a parasite of the halophytic grass Distichlis spicata from Mexico in Science Direct – 1998

Moederkoren en Sint-Antoniusvuur

Vergiftigingen als gevolg van de consumptie van roggebrood, dat gebakken was van door met moederkoren geïnfecteerd graan, was in Europa in de Middeleeuwen heel gewoon. Als je moest kiezen tussen de hongerdood of hier en daar wat vergiftigingsverschijnselen, dan won het knagende gevoel in je maag uiteindelijk de strijd. Je hoopte maar dat het graan niet al te veel besmet was.
[Dodendans]
In die tijd waren vaak geen goede mogelijkheden om graan te vrijwaren van besmettingen en er was al helemaal geen overheid die toezicht op de kwaliteit van rogge hield. Uiteindelijk werd, zoals altijd, de minste kwaliteit toegeschoven naar de mensen die het minst te besteden hadden.

De gifstoffen in het moederkoorn, waaronder de alkaloïde ergotamine, veroorzaken duizeligheid, vermoeidheid, depressie, formicatie (het gevoel dat er insecten onder je huid krioelen), spierverkrampingen, samentrekkingen van de bloedbaan, stuipen, delirium en het verlies van spraak. Ook veroorzaken de gifstoffen hallucinaties en uiteindelijk krankzinnigheid. Vingers en tenen konden door het samenknijpen van de bloedbaan geleidelijk afsterven met als gevolg gangreen.
[Gangreen]
Die spierverkrampingen en stuipen leiden ook tot ongecontroleerde bewegingen die op dansen lijken. Bij vergiftingen konden hele dorpen, maar dan voornamelijk kinderen en jongvolwassenen, massaal urenlang gaan 'dansen' totdat ze van pure vermoeidheid ter aarde stortten.

Het probleem raakte daardoor bekend als the fire that twisted people ('het vuur dat mensen vervormde'). De Franse Hospitaalbroeders van de orde van Sint-Antonius, opgericht in 1095, waren gespecialiseerd in het behandelen van patiënten die leden aan moederkorenvergiftiging ofwel ergotisme. Ze gebruikten smeerseltjes met rustgevende en bloedcirculatiebevorderende extracten van planten. Mede door de sensatie van vuur en branden in de aangetaste lichaamsdelen, kreeg dit ziektebeeld de naam Sint-Antoniusvuur.

Het ziektebeeld moet niet verward worden met de Sint-Jansziekte, dat eveneens wordt gezien als een ziekelijke drang om te dansen. Dát idiote probleem werd in verband gebracht met massahysterie als gevolg van religieuze waanzin en kwam vooral voor tussen de 14de en 17de eeuw in Europa. De symptomen lijken weliswaar ietwat op die van Sint-Anthoniusvuur, maar het probleem is psychisch van aard. De symptomen zijn spasmen, verkrampte spieren, schokken, neervallen, gasophoping in de darmen, aanvallen die leken op epilepsie en een onweerstaanbare drang om te dansen. Soms met de dood tot gevolg. Rare mensen die gelovigen.

Sorghummoederkoren

Sorghummoederkoren (Claviceps sorghi) wordt alleen aangetroffen in India en beperkt in stukjes Zuidoost-Azië. Het invasieve Afrikaans moederkoren overheerst zelfs in India en sorghummoederkoren lijkt steeds meer in het gedrang te komen. Dat Afrikaans moederkoren veel beter in staat is dan sorghummoederkoren om zijn domein uit te breiden heeft te maken met het feit dat de eerste veel sporen met de wind laat meevoeren, terwijl de laatste vrijwel geen door de wind voortgedreven sporen produceert. Sorghummoederkoren moet het hebben van opspattende regendruppels, insecten of direct contact tussen besmette planten.
[Kafferkoren ofwel sorghum]
Jawel, sorghummoederkoren houdt voornamelijk van kafferkoren ofwel sorghum (Sorghum bicolor), ooit slechts inheems in Afrika, maar thans wereldwijd aangeplant in (sub)tropische gebieden. Tegenwoordig bestaan er vele gecultiveerde vormen van kafferkoren en is het een belangrijk voedingsgewas voor zowel mens als dier. Ook is het geschikt voor de productie van alcoholische dranken en biofuel. Toch zijn ook de wilde familieleden van kafferkoren vatbaar voor besmetting plus een wilde grassoort, waaronder parelgerst (Pennisetum glaucum).
Geïnfecteerde bloemetjes zijn te herkennen aan kleverige, oranjebruine vloeibare druppeltjes. De zachte, witte, smalle uitgerekte mycelia kunnen een lengte bereiken van 14 millimeter.

Een besmetting met sorghummoederkoren kan tot 80% verlies van de oogst opleveren. Toch, zo verklaren biologen geruststellend, valt de uiteindelijke schade wel mee omdat het verspreidingsgebied van deze ziekteverwekker maar klein is. Je zult maar nét die ene boer in India zijn die zijn oogst en dus zijn jaarinkomen in rook op ziet gaan.

Dallisgrasmoederkoren

Dallisgras (Paspalum dilatatum) is een grassoort dat inheems is in Brazilië en Argentinië, maar is bijna wereldwijd geïntroduceerd. Soms vormt het zelfs een lastig te bestrijden onkruid als gevolg van zijn snelle groei en diens snel verspreidende wortelstelsel.
[Gezond Dallisgras]
Officieel houdt dallisgras van tropische en subtropische klimaten en is daardoor aanwezig op graslanden in de zuidelijke helft van Noord-Amerika, Zuid-Europa, grote delen van Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland. Het zaad vormt een gewilde maaltijd voor diverse vogelsoorten.

Mocht het u interesseren: de naam dallisgras is afgeleid van T.A. Dallis, een boer die in de 19de eeuw het gewas op grote schaal verbouwde in Georgia (USA). Geen wonder dus dat het dallisgras intussen in vrijwel het gehele zuiden van de Verenigde Staten voorkomt.

Er bestaat een ziektebeeld onder koeien dat men dallisgrasvergiftiging noemt. Ze worden ziek nadat ze een behoorlijke hoeveelheid dallisgras hebben gegeten dat geïnfecteerd is geweest met dallisgrasmoederkoren (Claviceps paspali). De zaadhoofden van het gras raken in de natte maanden van de herfst besmet. In plaats van mooie platte zaden zie je zwarte tot grijze zwellingen op die zaden en zijn ze bedekt met een kleverig sap.
[Besmet Dallisgras]
Dallisgrasmoederkoren bevat een drietal giftige alkaloïden: paspalinine plus paspalitrem A en B. Het besmette vee vertoont neurologische verschijnselen, waaronder trillen van de grootste spieren en de kop, schokkerige ongecoördineerde bewegingen en ze zijn bovendien schrikachtig en soms ook agressief. De verschrikte dieren rennen dan weg en vallen vaak in ongewone posities. In ernstige gevallen blijven de dieren dan verschillende dagen liggen. Stuiptrekkingen en dood kunnen in extreme gevallen het eindpunt zijn.

Gelukkig, met dit woord zou deze column moeten eindigen, maar dat is weer eens niet het geval. Dallisgras wordt namelijk af en toe ook al in Nederland aangetroffen. Mogelijk verstopt het gewas zich in vogelvoer, mogelijk is het per abuis opgenomen in bepaalde graszaadmengels of mogelijk is het simpelweg het gevolg van de opwarming van de aarde. Waar dallisgras is aangekomen zal dallisgrasmoederkoren vermoedelijk niet lang op zich laten wachten.

Liesgrasmoederkoren

Groot liesgras (Glyceria maxima) is een overblijvende grassoort die inheems is in een grote strook land dat loopt van de kusten van West-Europa tot westelijk Siberië. Als groot liesgras erg zijn best doen kan hij een hoogte bereiken van wel twee meter. Deze soort houdt van natte voeten en groeit aan de oevers van riviertjes en vijvers. Je kunt hem vinden in modderige of venige grond en in ondiep, voedselrijk, stilstaand of zwak stromend, zoet tot zwak brak water. Die vochtige biotopen zijn uiteraard perfecte omstandigheden voor het ontstaan van schimmels en het groot liesgras heeft er zelfs eentje die zich gespecialiseerd heeft in dat gras: liesgrasmoederkoren(Claviceps wilsonii).

Biologen vinden het maar vreemd dat het groot liesgras zo uitbundig in ons land groeit, terwijl de waarnemingen van liesgrasmoederkoren maar op één hand te tellen zijn. Mogelijk wordt de soort vaak verward met echt moederkoren (Claviceps purpurea). In het verleden dachten biologen namelijk dat liesgrasmoederkoren simpelweg een ondersoort van echt moederkoren was en had de wetenschappelijke naam (Claviceps purpurea wilsonii). Pas later begon men het geslacht onder te verdelen per waardplant en dus ontstonden verschillende nieuwe soorten.
Terwijl de meeste soorten moederkoren wind nodig hebben om hun voortbestaan te regelen, kan liesgrasmoederkoren gebruikmaken van de stroming in het water. Zijn sclerotia drijven namelijk.

In Nederland is liesgrasmoederkoren zo'n zeldzame verschijning dat het Ministerie van Economische Zaken het heeft behaagd om deze schimmel aan te wijzen als beschermde soort.
Maar of dát zo'n goed idee is valt natuurlijk te betwijfelen, want alle soorten moederkoren bevatten soms dodelijke hoeveelheden giftige alkaloïden. Liesgrasmoederkoren is echter zo zeldzaam dat zijn giftigheid nog nimmer wetenschappelijk is getest, maar ik ben toch zeker bezorgd omdat we door die onwetendheid ook niet weten of liesgrasmoederkoren ook nog andere planten kan besmetten.

Maïsmoederkoren

Maïsmoederkoren (Claviceps gigantea) of horse tooth komt tot nu toe slechts voor in enkele hooggelegen bergvalleien in de hooglanden in Centraal Mexico, waar een specifiek vochtig klimaat heerst. De ontwikkeling van deze schadelijke ziekteverwekker gaat het best bij gemiddelde temperaturen van 13 tot 15 oC en een bijna voortdurende regenval (1,000 mm per jaar)

Het lijkt er op dat maïsmoederkoren zich zo specifiek aan deze klimatologische omstandigheden heeft aangepast dat hij kennelijk niet geschikt is voor de wat drogere gebieden in de omgeving. Omdat maïsmoederkoren slecht is bestudeerd gelooft men dat zijn sporen via insecten worden verspreid, maar ook door het transport van besmette maïsaren of zelfs grond.
De levensloop van het maïsmoederkoren is identiek aan die van andere soorten moederkoren. De behoorlijk grote sclerotia zijn in eerste instantie wit tot crèmekleurig, zacht, kleverig en hol. Later verhardt en verkleurt deze van wit tot grijsbruin. In het midden is hij dan roze tot lavendelkleurig. De aren van de maïs kunnen onderzocht worden op de aanwezigheid van de op een komma lijkende sclerotia, die op een paardentand lijken, vandaar ook diens Engelse benaming horse tooth.

In de paar bergvalleien waar maïsmoederkoren endemisch is kan het onder de juiste omstandigheden binnen no time 50% van alle maïs infecteren. Dat is een ramp voor de arme plaatselijke bevolking die veelal voor hun overleven van die maïs afhankelijk zijn.

Maïsmoederkoren bevat een aantal giftige alkaloïden, waaronder elymoclavine en agroclavine. De elymoclavine is zeker giftig voor mens en dier.

De alkaloïden leiden tot ergotisme, ook wel Sint-Antoniusvuur genoemd. Het ziektebeeld kan leiden tot darmkrampen en doorbloedingsproblemen, waardoor vingers en tenen kunnen afsterven. Tevens kunnen hallucinaties optreden.

Op het Mexicaanse schiereiland Yucatán zijn in het verleden tijdens de vroege koloniale periode een tweetal epidemieën beschreven die lijken op ergotisme met afsterven van lichaamsdelen. Het werd daar fuego de San Antón genoemd.

Parelgerstmoederkoren

Parelgerstmoederkoren (Claviceps fusiformis) komt wijdverbreid voor in Africa en India, waar de gastheer, parelgerst (Pennisetum glaucum) al duizenden jaren verbouwd wordt. De infectie met moederkoren werd pas echt een groot probleem toen men in India hybride varianten van parelgerst introduceerde. Een besmetting kan tot 70% opbrengstvermindering in de oogst opleveren in vatbare rassen.

Men denkt dat bepaalde wilde en aan parelgerst gerelateerde grassoorten (Pennisetum spp.) het natuurlijke reservoir vormen van parelgerstmoderkoren.
Wanneer het parelgerstmoederkoren zich eenmaal op een plant gevestigd heeft, begint hij een week na het begin van de infectie structuren te maken die men conidia noemt. Conidia zijn de plaatsen waar de asexuele sporen worden geproduceerd. Conidia worden van plant tot plant verspreid door wind, opspattend regenwater en insecten.

Hoewel parelgerstmoederkoren nog nimmer is gerapporteerd op parelgerst op het Amerikaanse continent, bestaat toch altijd het gevaar. Er is al eenmaal een infectie aangetroffen op buffelgras (Pennisetum ciliare) in Mexico én eenmaal in de staat Texas (USA). Buffelgras is een exoot uit Afrika en het is dus zeker mogelijk dat de ziekteverwekker is meegelift naar de overkant van de Atlantische Oceaan.

Parelgerstmoederkoren maakt, onder andere, de alkaloïden agroclavine, elymoclavin, penniclavine, lysergol, lysergene aan. Onderzoek toonde aan dat muizen, die werden blootgesteld aan parelgerstmoederkoren al bij lage doseringen niet meer in staat waren zich voort te planten[1]. Parelgerstmoederkoren zorgt bij koeien voor agalactia, een aandoening waarbij de melkproductie stopt. Bij mensen is het eten van met parelgerstmoederkoren parelgerst ook al niet zorgen gevolgen. Het veroorzaakt misselijkheid, overgeven en milde neurotoxiciteit (schade aan de hersenen of het zenuwstelsel).

Wat kunnen we doen om een besmetting tegen te gaan, is natuurlijk de vraag. Een deel van het probleem heb je niet in de hand, want de natuur is onvoorspelbaar en kan voor parelgerstmoederkoren perfecte omstandigheden creëren. Een landbouwer moet schoon zaad gebruiken dat resistent is tegen parelgerstmoederkoren, al blijft de armoede in India en Africa ook in dit geval voor problemen zorgen. Voor de rest moet de boer zorgen voor een droge en doorluchte bewaarplaats voor zijn zaadmateriaal.

[1] Mantle: Interruption of early pregnancy in mice by oral administration of agroclavine and sclerotia of Claviceps fusiformis (Loveless) in Journal of Reproduction and Fertility – 1969

Afrikaans Moederkoren

Afrikaans moederkoren (Claviceps africana) infecteert sorghum (Sorghum spp.) en parelgerst (Pennisetum glaucum). Het infecteert alleen onbevruchte vruchtbeginsels. De infectie wordt in verband gebracht met koude nachttemperaturen van 12°C of lager en dan zo'n twee tot drie weken voor de bloei van de planten. Afrikaanse moederkoren scheidt dihydroergosine, een ergotalkaloïde, af, oorspronkelijk aangemaakt als een vorm van zelfbescherming tegen vraat van plantenetende dieren. Toch lijkt de giftigheid van Afrikaans moederkoren voor vee minimaal te zijn en is het grootste probleem de afname van opbrengst.
Symptomen van een infectie met Afrikaans moederkoren zijn, onder andere, uitscheiding van donkere massa die de plaats inneemt van de zaden. Men noemt deze massa sclerotia of honingdauw, een kleverige vloeistof met een hoge concentratie suikers en conidia, aseksuele sporen van de schimmel. Insecten eten van deze zoete massa en zorgen voor verspreiding van de infectie. Het grootste gevaar schuilt echter in het feit dat Afrikaans moederkoren ook microconidia aanmaakt die over grote afstanden met de wind kunnen worden meegevoerd.

Mannelijk steriele lijnen van sorghum, de zogenaamde A-lines, zijn uiterst kwetsbaar voor infecties. Voor het eerst in de zestiger jaren van de vorige eeuw was dat feit boeren opgevallen en nadien zijn regelmatig zware verminderingen (tot meer dan 50%) van opbrengsten genoteerd.
Afrikaans moederkoren veroorzaakte tussen 1903 en 1906 een ernstige hongersnood in delen van noordelijk Kameroen in West-Afrika. Besmet sorghum komt ook met enige regelmaat voor in oostelijke en zuidelijke delen van Afrika, voornamelijk Zimbabwe en Zuid-Afrika. Gedurende de negentiger jaren verspreidde Afrikaans moederkoren zich naar landen als Brazilië en Australië. Rond 1997 had de plantenziekte zich al naar de meeste Zuid-Amerikaanse landen uitgebreid en daarna waren het Caraïbisch gebied en Mexico aan de beurt. In maart 1997 werd de eerste besmetting in Texas (USA) aangetroffen, niet veel later gevolgd door de staten Georgia, Kansas en Nebraska. Ook is Afrikaans moederkoren al in India aangetroffen.

Die snelle verspreiding is voornamelijk het gevolg van het nonchalante gesleep met geïnfecteerde zaden. Bovendien toont het de 'fitheid' aan van deze schimmel. Had Charles Darwin toch gelijk met zijn 'survival of de fittest'.

Overigens klinkt de naam 'moederkoren' veel te lief en zouden we het beter kunnen vervangen door 'loederkoren'.

Echt Moederkoren

Natuurlijk is moederkoren (Claviceps purpurea) geen echte paddenstoel, maar wel een daaraan gerelateerde schimmel. Moederkoorn wordt al sinds mensenheugenis gevreesd door zijn extreme giftigheid en ontstaat vaak na koude winters, die gevolgd worden door regenachtige zomers. Bepaalde graansoorten, zoals rogge, tarwe en gerst, blijken dan erg vatbaar te zijn voor het ontstaan van moederkoorn. De aangetaste graankorrels werden vroeger vaak ongemerkt verwerkt tot brood.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Claviceps, is afkomstig uit het Latijn en clavi betekent ‘sleutel’. De uitgang -cula maakt het geheel een verkleinwoord waardoor het samen ‘sleuteltje’ betekent en de vorm van moederkoorn beschrijft. Het tweede deel, purpurea komt natuurlijk ook uit het Latijn en betekent ‘purper’. Onder invloed van zonlicht verkleurt moederkoren en kan paarsig lijken. De meer wetenschappelijke naam voor moederkoren is ergot en dat woord is op zich weer afkomstig van het oud-Franse woord argot dat ‘spoor’ (van het paard de sporen geven) betekent en ook dat woord beschrijft de wat vreemde vorm van het moederkoren.

De giftigheid van het echte moederkoren is het gevolg van hoge concentraties (tot wel 2 procent van de droge massa) van het alkaloïde ergotamine. Hoewel de schimmel ook nog andere schadelijke ergoline-alkaloïden in zich draagt is die ergotamine wel de meest giftige en het heeft zelfs de naam gegeven aan een speciaal ziektebeeld; ergotisme. In de Middeleeuwen werd deze aandoening wel ‘Saint Anthony’s Fire’ genoemd naar de monniken van de Orde van Sint Anthony plus de meest in het oog springende symptomen. Je kreeg namelijk een vreselijk brandend gevoel in je ledematen als gevolg van doorbloedingsproblemen. Daardoor ontstond vaak gangreen en moesten die ledematen door de monniken worden geamputeerd (waar ze na verloop van tijd erg bedreven in werden). De gifstoffen hadden ook een behoorlijk negatief effect op de geest: ze veroorzaakten hallucinaties, irrationeel gedrag, misselijkheid, overgeven, toevallen, stuiptrekkingen en zelfs de dood (als je de eerdere amputaties al had overleefd).

Die grote nadelen werden echter tijdelijk voordelen wanneer het moederkoren werd ingezet als middel om een abortus op te wekken of om bloedingen na de geboorte te stelpen. Vaak stierf echter niet alleen de ongeboren en ongewenste vrucht, maar ook de moeder.

De ergotamine wordt tegenwoordig gebruikt om lysergisch zuur te maken en dat is zelf een chemische voorloper voor LSD. Moederkoren bevat van nature zelf ook minieme hoeveelheden van dat lysergisch zuur. Geen wonder dus dat moederkoren hallucinerend werkt. Maar alles is niet wat het schijnt omdat uit de moederkoren twee werkzame middelen worden geproduceerd die gebruikt worden bij de succesvolle behandeling van de Ziekte van Parkinson. Vervelend is wel dat je hartkleppen er kapot van gaan.